Niet alles is wat het lijkt. Kwetsbaarheid. Deel 2.

Ik schreef mijn vorige blog over onder andere politiehumor. De grove grappen die we maken om met dingen om te gaan. Die blog maakte veel los. Bij collega’s, vrienden maar ook bij heel veel onbekenden. Overweldigend voor mij. Er werd best vaak gevraagd om een soort deel twee. So, let’s start.

Iemand deelde een verhaal met me waarin ze vertelde dat zij een keer een grove grap hoorde en dat ze daar flink door geraakt werd. Snap ik volkomen. En zou eigenlijk niet mogen gebeuren. Want het enige waarom we die grappen maken, en zo met incidenten omgaan, is zodat ze voor ons ‘behapbaar’ blijven. Het luchtig houden. Zodat we niet langzaam helemaal koekie lijp worden. 200% zeker niet zodat anderen dit horen. Het is dan vaak kwetsend, hard en vermoedelijk onbegrijpelijk harteloos. 

Mooi van haar vond ik dat zij die collega aansprak op zijn grap. Mooi van die collega vond ik dat hij met haar in gesprek ging. Ik kan me zo voorstellen dat je met gierende banden naar je volgende melding zou scheuren. Professioneel? Nee. Logisch. Best wel. Hij heeft het haar uit kunnen leggen. Ik vind het knap van beide partijen. Ze zijn met wederzijds begrip hun weg vervolgd. 

Sommige dingen zijn bijna niet uitlegbaar aan mensen buiten hulpverlenende en zorgberoepen, maar ik wil het toch graag weer een beetje proberen.
Zo reageerde collega en vriendin Melissa op mijn vorige blog met een eigenlijke “klassieker”. Hebben we bij de politie ook klassiekers? Jazeker. Als er iemand zelfmoord gepleegd heeft door ergens vanaf (of voor de trein) te springen (in politietaal ‘een springer’) kan je er bijna zeker van zijn dat er ergens een keer de “I believe I can fly” grap wordt gemaakt. 

Toen ik als nieuwe student in de Amsterdamse Bijlmer voor het eerst bij een springer was hoorde ik een vrouwelijke collega tegen wie ik stiekem wel opkeek (ik vond haar echt mega stoer, mooi en zo lief tegelijk) zeggen:

“Ja.. Die gaat niet door voor de koelkast. Hartstikke dood.” en ze stak een Mentos in d’r mond. Alsof het d’r allemaal echt helemaal niets deed ging ze aan de bak. Alsof daar een vuilniszak lag. Iets zonder enkele waarde en iets waar niemand zich aan hechtte. 

Een ambulancebroeder (die alweer weg ging omdat ze niets meer voor de man konden doen) liep zachtjes zingend richting zijn ambulance..
“I belieeeeve I can flyyyyyy.. I believe I can touch the skyyyyy…”
Hij sprong achter het stuur met een grappig huppeltje en pakte zijn telefoon uit zijn zak en een pakje sigaretten uit zijn tas. Hij sprong de auto weer uit, rookte een sigaret, rammelde wat op zijn telefoon en toen zijn maatje ook in de auto sprong reden ze weg. 

Alsof het hem geen ene fuck interesseerde dat er daar iemand zelfmoord had gepleegd. Door naar de volgende.
Die twee kleine momentjes bij die springer vergeet ik nooit meer. Ik heb zelfs onthouden dat die Mentos roze was. Kan je nagaan wat sommige mini-details toch blijven hangen.. En ja, de roze Mentosjes zijn het lekkerste

Later hoorde ik dat die collega waar ik zo tegen op keek altijd een rolletje kauwt-lekker-weg snoep in haar zak had… Omdat het haar hielp haar gedachten te ordenen, structureel te werken en emotie even weg kon schuiven. 

En die ambulancejongen die het liedje zong.. Die kwam ik later nog vaker tegen en die stuurde altijd even een SMS-je naar zijn moeder na een incident wat heftiger was dan gemiddeld. Zijn moeder die altijd bezorgd was om de dingen die hij dag in dag uit op zijn netvlies kreeg. En die peuk die móest. Hij gaf zelfs toe dat ie wel eens een sigaret aan een wild vreemde had gevraagd na een melding. 

Ik dacht dus van beiden dat het ze niets deed. En misschien nog wel belangrijker: Ik vond het stoer dat het ze niets deed. Lekker achteloos een Mentosje nemen naast een lijk. Een liedje zingen, grove grappen en een peuk erbij. Lekker belangrijk dat hij dood is, hij wilde het toch zelf. Ik vond dat een bewonderenswaardig iets. Stoer. En ik keek er naar op, vol verbazing, hoe konden ze dat..

Vele jaren later ben ik soms zelf ‘die collega.’ 

Een vrouw van mijn leeftijd heeft een shitload aan medicatie weggespoeld met een boel sterke drank. Als we de deur open hebben gemaakt met de bonk is het eerste wat ik zie een vrouw die ontzettend veel op een vroegere vriendin lijkt. Haar naam schiet door mijn hoofd, ik sta een seconde aan de grond genageld en mijn hart slaat een slag over maar als ik nog een keer kijk zie ik dat ze het niet is. Pfoe!
Zelfdodingen zijn sowieso al klote en zo wordt het er niet minder heftig op. Ik struikel over de bende in de woning en schop een halflege fles Sambuca om. De geur van Sambuca met de geur van kots komt lekker heftig onze neus in. 
Binnensmonds scheldend -ja dat kan ik heus- controleer ik haar hartslag en ademhaling. 
Allebei aanwezig, maar nauwelijks.. Maar hey, ze leeft. We hebben de AED in de aanslag. Voorbereid op het ergste. Ik controleer haar luchtweg. Voor het zelfde geld zitten er nog een paar niet-weggeslikte pillen of kots in de weg. We rollen haar in stabiele zijligging en het wachten op de ambulance is begonnen. Het is druk met meerdere heftige incidenten en we moeten vrij lang wachten op een ambulance. 

Ik zat naast de vrouw op mijn knieën, ik hield haar hartslag en ademhaling nauwlettend in de gaten, haar slappe klamme hand vast en brabbelde de standaard geruststellende woorden tegen d’r, just in case dat ze me zou horen. Ook noemde ik een rits kleine mooie dingen uit het leven op, kleine mini redenen om te leven. 

Af en toe gaf ik haar een pijnprikkel, in de hoop dat ze er op zou reageren. Maar dat was niet, of nauwelijks. In haar kots waren restjes pillen te zien. Ik hoopte dat ze er genoeg uitgekotst zou hebben om er weer bovenop te komen.. maarja, dat is niet wat ze wilde:

Op het tafeltje naast haar lag een dubbelgevouwen brief eindigend met “Zorg voor elkaar. Wees lief, het spijt mij. Kus, .. “ 

Mijn collega was namen aan het verzamelen van de medicatie enzo en vroeg af en toe aan mij hoe de situatie met de vrouw was. “Onveranderd, de ambu mag even duren he..” was daarop het antwoord.. Ik voelde frustratie, terwijl ik wist dat de ambulance echt geen koffie aan het leuten was.
De vrouw kwam langzaam na tig pijnprikkels een klein beetje bij kennis en vlák voor de ambulancebroeders de kamer binnen kwamen brabbelde ze met haar ogen nog dicht: 

“Ik leef nog he.. laat me alsjeblieft doodgaan..Sorry”

Of iets wat daar op leek.. Het was bijna onverstaanbaar maar BOEM die woorden gingen dwars door mijn muurtje heen. Wat dat precies triggerde weet ik niet, maar misschien dat ze op die vroegere vriendin leek en de gedachte dat ze gewoon teleurgesteld was dat ze nog leefde.. Ik vond het moeilijk. Ik voelde ineens een oorverdovende stilte. Die er niet was.
Maar, ik hoorde mijn collega de feiten, drank en medicatie keurig opsommen aan de ambulancebroeders. Ik hoorde iets over een antibraak middel en ik dacht eraan hoe goed ze hierover nagedacht heeft. Het was geen opwelling in ieder geval, ook al heeft ze wel gekotst ondanks het antibraakmiddel. Ik zelf gaf wat informatie aan de ambulancebroeders over haar huidige fysieke en medische staat, zover mijn kennis rijkt, en hoe we haar aantroffen. Ik knipperde een paar keer met mijn ogen en ging keurig op de automatische piloot doen wat er nog gedaan moest/kon worden. 

En ik nam eventjes een suikervrij dropje. Want ook tijdens een poging zelfdoding kan een taai zout dropje geen kwaad. 

Als er op dat moment een student de situatie daar had staan bekijken had ie vermoedelijk gedacht “Jemig het doet die twee echt niets, dat gekke wijf eet zelfs gewoon drop terwijl er iemand ligt te vechten voor d’r leven!”  Precies zoals ik in de situatie van die springer dacht. En toen vond ik het stoer. Nu weet ik beter.  En ik was ook zeker niet stoer. Ik doe me ook niet stoer voor als ik me niet ‘stoer’ voel maar ik moet natuurlijk wel handelen.

Ik probeer er altijd heel open en eerlijk over te zijn, zeker naar nieuwe studenten. Ik vind dat als politieagent, maar ook gewoon als mens heel erg belangrijk: We zijn mens, we mogen iets heftig vinden.

Ik ben nog twee keer bij haar huis geweest. De eerste keer durfde ik alleen maar te kijken of ze er nog woonde. Om te kijken of ze nog leefde. De tweede keer heb ik aangebeld, ben ik daadwerkelijk naar binnen gegaan en heb ik met d’r gepraat. Als ik door haar straat rij, dan denk er altijd nog even aan terug, en hoop ik d’r stiekem ontzettend gelukkig en blij dansend door haar woonkamer te zien. Lekker onrealistisch wel, maar ik gun haar geluk en blijheid.

Ik heb aan de collega met wie ik dit incident heb meegemaakt gevraagd of ik er over mag schrijven. Hij vond het goed maar wil anoniem blijven omdat ik over zijn emotie wil vertellen en hij dat best een moeilijk onderwerp vindt. Ook bij hem kwam dit hard binnen, maar ook bij hem leek dit niet zo. 

“Ze had eigenlijk bijna mijn dochter kunnen zijn. Of die van mijn zus. Ik vond het ook best zwaar om jou te zien praten tegen haar. Jij vertelde haar allemaal redenen om te willen leven, ik vond dat heel mooi, maar tegelijk heel verdrietig..Dat je zo jong bent en dat de dood dan verlichtend lijkt. Ik ben blij dat ze nog leefde toen wij haar vader belden. Maar stel je voor dat je dat telefoontje krijgt… je wereld stort toch als een kaartenhuis in elkaar…” Ik ben zelf geen moeder, maar ik kan me heel goed voorstellen dat als moeder/vader zijnde dingen binnen ons beroep met kinderen nóg zwaarder zijn. 

Dat was een voorbeeld waarbij voor een buitenstaander het zou lijken alsof het me niets deed.. Dan nu, een andere versie:

We krijgen een wazige melding van ‘geen gehoor bewoner.’
“Nou Liek, ik zit met jou op de auto dus hij is vast dood”
Rennend met AED en ‘de bonk’ de trap op. Ik probeer door de brievenbus even te ruiken. Voor we met geweld de deur eruit rammen terwijl het al naar lijk ruikt binnen.. Leuk idee Liek, maar de brievenbus zit een soort houten bak voor het en ik ruik niets. Alleen papier.  

“Gelukkig zitten er nog geen dikke zwarte vliegen op het raam”
“Ah nou dan hebben we in ieder geval geen driedubbele Jackpot” 
Bonk. Deur is open en we treffen de bewoner dood aan op het toilet.
“Veel dooier dan dit gaat ie niet worden..”
“Ohja.. Ik zie het. Oké ik ga de feestcommissie opstarten”

En 2 minuten later doe ik een gek dansje op de beltoon van mijn collega. Ik sta in de deuropening op nog geen 3 meter van de toilet met het lijk vandaan en eet ik een eiwitreep. Terwijl de geurcombinatie van poep, plas, de muffe geur van dood (gelukkig nog niet te lang) en dat in een toch al beetje vieze woning nou niet bevordelijk is voor je eetlust. Maar met af en toe wat frisse lucht knaagt mijn eiwitreep prima weg.

Doet dit me niets? Vrijwel niets. Is dat iets zorgelijks? Nee ook niet. 

Wanneer doet zoiets me wel wat dan? Op het moment dat er emotie bij komt kijken. Zodra dat lijk op het toilet verandert in iemands vader, vriend, broer..
Sterker nog, ik heb het zelfs al een keer flink moeilijk gehad toen iemands hond al twee dagen naast het levenloze lichaam van zijn baasje had gezeten. Ik had medelijden met de hond. En nee dat is oprecht geen slechte grap.


En ja, ik weet heus dat die man daar op dat toilet echt wel door iemand geliefd is hoor, maar voor mij op dat moment niet. Het was ‘gewoon’ een lijk. Er stond geen huilende familie bij. We hoefden niet te reanimeren met een berg van emoties van anderen ernaast. Het voelde niet dichtbij. Het was eigenlijk echt een ver-van-mijn-bed-show. Een melding waardoor ik wist dat die ene eiwitreep mijn lunch zou zijn omdat het nou eenmaal lang duurt bij zulke meldingen. 

Het is fijn als je dingen zo koud kan bekijken. Dat wil niet zeggen dat je een ijskonijn bent. Of niets je meer raakt. Het is denk ik gewoon gezond om zo met bepaalde meldingen en situaties om te gaan.
Voor het zelfde geld krijg je over een uur een melding van huiselijk geweld, met heel veel emotie. Te veel emotie. En dat komt misschien dan wel binnen. Of heb je zo’n poging zelfdoding als eerder beschreven. Of wordt je ineens verrot gescholden of bedreigd met verkrachting en zijn het woorden die je raken. 

(Want hey, we zijn nog steeds mens, niet alleen een uniform!)

Maar ik denk dat je binnen beroepen als politie, ambulance en brandweer dingen wel ‘koud’ (weet er geen 100 % geschikt woord voor) moet gaan zien want anders komt alles binnen. En dan zit je emmertje echt heel snel vol. Een dikke huid hebben dus, en geen zeer teer zieltje. 

Even met lieve Storm knuffelen!

Even met lieve Storm knuffelen!

Ik vind het persoonlijk juist heel fijn als er lekker gek gedaan kan worden. Het is fijn om na een klote melding even lekker met de muziek mee te blèren en dansjes te doen in je stoel in de auto. Of de hond van een voorbijganger te knuffelen. (Of die van een collega zoals op de foto). Het is fijn om als je het bloed van je handen gewassen hebt even een wedstrijdje te doen met je maatje wie er het meeste spekkies in zijn mond kan proppen. Of om na een verkeersongeval met letsel te zeggen: “Zo. En dan nu een ijskoffie!’ (Mocht je nog een heel goed adresje zoeken even vanaf centraal met het pontje naar Noord: Buiksloterweg. Bij Pont Neuf. Gezoet met stevia. (toch ook fijn voor die genadeloos-niet-meerekkende-uniformbroek)

Ik wil hiermee niets ‘afvlakken’ of zeggen dat wat we allemaal zien gewoon helemaal normaal is. Normaal is het niet. Maar er is gewoon een boel dat bij het werk hoort. En daarbij kom je natuurlijk regelmatig beroepsmatig in aanraking met dingen die men in het normale leven nooit of vrijwel nooit tegen komt of ziet.

Dat het bij het werk hoort, wil voor mij zeggen dat je er een manier in ‘moet’ vinden om het grotendeels buiten je gevoel te houden. Je kan nou eenmaal niet met alle slachtoffers van verkeersongevallen/berovingen/mishandelingen/inbraken mee gaan staan huilen. Is niet professioneel, en ook niet te doen voor jezelf. Ik had het in mijn vorige blog over het muurtje wat we hebben, en dat sommige dingen door je muurtje heen komen. 

Dat is net zo goed ‘goed’ als dat iets je heel weinig of niets doet. It’s okay not to be okay. En het is net zo goed oke als dat lijk je niets of vrijwel niets doet. 

Als je maar op het moment dat het je wel wat doet, een weg weet te bewandelen die voor jou werkt. Zodat het welbekende emmertje niet alleen gevuld wordt, maar ook weer leeg gaat.
Ik vind net als mijn vorige blog ook deze blog best wel weer een beetje eng. Maar ik vind het tegelijk heel erg belangrijk dat we open zijn over hoe iets voelt, of dat nou koud is of koud lijkt, of boehoehoe-stijl huilen. Dat we een prachtig beroep hebben, maar ook kwetsbaar zijn. Dat ook ons hart soms wel eens in duizend stukjes breekt (en je dat vaak dus niet ziet), dat ook wij dingen heftig vinden, of niet weten hoe we ergens mee om moeten gaan. 

“Daar moet je maar tegen kunnen hoor, het is toch je werk” is een typische toetsenbord-helden opmerking als je iets leest over politiewerk. 
Ja, ik kan tegen een boel, maar nee, niet altijd. Het is mijn werk, en men mag verwachten dat we sterk in onze schoenen staan, een stap vooruit zetten waar de rest een stap achteruit zet. Maar we zijn geen superhelden. En ik geloof ik de kracht van kwetsbaarheid. 

Zoals ik als net nieuwe student opkeek naar die oh zo stoere collega en die oh zo stoere ambulance broeder.. Dat bleek niet hun echte gevoel te zijn. Toen niet. En vaker niet. En dat is oke. We hebben elkaar nodig om sterk te zijn, maar ook elkaars steun om even niet sterk te hoeven zijn. Zoals ik al zei, it’s okay not to be okay. En net zo oke als je iets heftigs, niet als heftig ervaart. In beide gevallen is je kwetsbaar opstellen in mijn ogen een kracht.
Niet alles is wat het lijkt, je kan niet in iemands hoofd of gevoel kijken. Maar je kan er wel over proberen te blijven praten. Daar waar dat moeilijk lijkt, is het soms juist zo ontzettend belangrijk.